Elsa en Miro (13 juni 2026, Vranjina)


12 juni 2026, Vranjina
Hoi Elsa en Miro,
Vandaag open ik mijn mailbox voor het eerst na dagen (ik lijd licht aan brievenfobie, beter gezegd: slechte berichtenfobie).
Dank voor je lieve brief! Wat een leuk gevarieerd reisprogramma hebben jullie. Veel plezier bij alles.
Op negen juni rijden we naar een plek in Montenegro, het dorp Vranjina, gelegen aan het grootste meer van de Balkan, Skadarsko Jezero[1], omgeven door groen begroeide bergketens. Het ligt voor de helft in Albanië. De andere helft ligt in Montenegro. Vanaf het begin in Albanië rijden we over groene heuvels en langs dicht beboste bergen met her en der rotsige toppen met schaarse begroeiing. Ons appartementje (aangekondigd als 60 m2, is gevoelsmatig kleiner) ligt aan een redelijk drukke weg en een enkel treinspoor, waar regelmatig treinen op voorbij komen.
We gaan uit eten omdat dat heel goedkoop is en daarbij buitengewoon lekker, in een restaurantje direct aan het meer. Voor ieder een hele forel met aardappelen (dat wisten we niet), en een salade Holle Bolle Gijs, we hebben ook nog frieten besteld. Te veel eten, maar ik vind het niet kies om het te laten staan, dat zou de indruk wekken dat ik het niet lekker vind, dus ik eet toch bijna alles op (op wat frietjes na, want dat hoort volgens mijn lieve tante Hetty uit Bussum, haar ziel rust vredig). We bestellen een karafje (0,25 liter) lokale wijn en een fles water (0,75 liter à 5 euro). We drinken de wijn met zoveel water in de grote wijnglazen dat er nog wijn over is als de fles water leeg is. De rest van de wijn gieten we in de fles. Van de wijn hebben we nog twee dagen plezier. 9 juni 2026. Meer van Shkodër (Skadarsko jezero) bij Vranjina, Podgorica
’s Avonds geniet ik van de langs zoevende treinen. Het autoverkeer is dan zo goed als stilgevallen. Langs de kant van de weg, niet ver van ons onderkomen, zitten overdag vier vrouwen onder een afdakje bij een aantal teilen gevuld met water en enorme vissen. Sommige leven nog. Er zijn verschillende soorten karpers[2]. Welke hier in de teilen liggen weet ik niet precies, ik denk de Europese karper (Cyprinus carpio). Europese karpers kunnen langer dan een meter worden en vijftig jaar oud. Het is geen vrolijk aangezicht, die teilen met dode en nog half levende dieren. Ook van de regelmatig passerende verkeersprooien worden we niet blij: marterachtigen, egels, een hond. We hebben een schildpad[3] helpen oversteken, zagen twee keer een vos en een keer een moeder met zeven biggetje over de weg lopen.
Ons verblijf in Vranjina ligt boven de weg (het hele dorp kleeft tegen de schuine bergwand aan) en is bereikbaar via oplopende steegjes. We nemen slechts het benodigde voor de nacht mee en de blik met noten, rozijnen en kokos, een fles yoghurt (ontbijt), melk en onze Nescafé Gold Crema (Smooth and Silky Velvety Crema) en Chikko not Coffee (Organic Roasted Instant Chicory), waarvan we een hele kist vol hebben achterin Muis.
Waar ik heel erg van geniet, zijn de grensovergangen. Hoe lang is het geleden dat ik in Europa een paspoort of identiteitsbewijs moest laten zien. En het is alweer zeven jaar geleden dat ik in India was, met ‘grens’controles op Schiphol en het Indira Ghandi Airport in Delhi.
Dag 1: Albanese douane, Montenegrijnse douane; dag 2: Montenegrijnse douane, Servische douane; dag 3: Servische douane, Bosnische douane, vaak met flinke wachttijden, met één baan voor personenauto’s en één voor vrachtwagens.
Vriendelijke en fors uit de kluiten gewassen, fris geschoren jonge kerels in donker uniform met epauletten doen hun werk vanaf hun boven mij gelegen glazen ruimte. Lager gezeten, hef ik mijn hand met de gevraagde documenten omhoog. De grensbewaker kijkt noodgedwongen op mij neer.
Slechts een keer vraagt een grenswachter wat er allemaal onder de donkergrijze deken ligt achter ons. Ik zeg: ‘Pfff, van alles. We zijn drie maanden onderweg, van Amsterdam, via Frankrijk, Italië, Albanië, de rest van de Balkan, Duitsland en weer terug naar Amsterdam’. Zijn wenkbrauwen gaan van verbazing nauwelijks omhoog, hij glimlacht schier onzichtbaar en geeft ons onze identiteitsbewijzen vriendelijk kijkend terug. Ik zeg: ‘fijne dag nog’ in zijn taal in de vertaling van Google Translate en lees zijn voornaam en achternaam hardop van de naambadge op zijn uniform. Hij grijnst onverholen. Ik start de motor en wij tuffen verder, door het dichtbegroeide donkergroene landschap. We genieten van elke meter, elke bocht, elke rotspartij.
Een collega van Mailai waar ze het goed mee kan vinden, Hibbele, vertelde haar tijdens een lunch of bij het koffiezetapparaat, dat hij met zijn avontuurlijkere vriendin door Albanië reisde, en dat ze net als wij tolvrije wegen opzochten, met enkele gevolgen van dien.
Hij vroeg Mailai of ons autootje een wat hogere wielbasis heeft. Muis is een buikschuiver. We hebben het geweten. Verschrikkelijk: het keiige parcours, van losse puntige stenen, de smalle, bochtige weg, diepe wielsporen, kuilen, bulten en hobbels, maakten het rijden, uitwijken-ontwijken, en extra gasgeven in steile haarspeldbochten met slippende banden, opspringende tegen de onderkant van de auto knallende stenen, tot een huzarenstuk van ongekende dimensie.
Muis heeft het echt moeten ontgelden en scheldt ons sindsdien bij elke poging tot goedmaken uit voor ‘klootzakken’. Ze hield er een lekke band aan over. Gelukkig was het een kleine lekkage, zodat we er nog ongehinderd mee verder konden rijden. Tijdens het wachten voor de grens tussen Servië en de Servische Republiek (Bosnië en Herzegovina) wees een vriendelijke man ons op het euvel. In Bratunac (Servische Republiek [4]) hebben we de band laten ‘plakken’ (tegenwoordig zitten er geen binnenbanden meer in). De bandenrestaurateur, een halve reus, met de typische mannelijke gelaatstrekken die in de Balkan algemeen zijn, ook het vrijwel geschoren hoofd, die als negenennegentig procent van de bevolking geen enkele andere niet Slavische taal spreekt[5], ging het allemaal super vlot af, een echte pro. Binnen de kortste keren zat de band weer op zijn plek, rechtsvoor. Alles voor maar tien BAM (Bosnische Mark). Eén BAM is 0,5113 Euro.
Wat de aanvankelijke stuursheid betreft van de Balkanezen is die het gevolg van het taalprobleem, niet van een afwijzende houding ten aanzien van (blanke) buitenlanders. Na goedgemutst en opgeruimd met Google Translate wat opvrolijkend vertaalwerk te hebben verricht en getoond of laten horen, breekt de zon door de stugheid uitstralende gezichten, wordt er vrolijk gelachen en vriendelijk afscheid genomen. Muis krijgen we niet aan het lachen, wat wij haar aandeden is en blijft onvergeeflijk, wij zijn en blijven ‘klootzakken’.
We verdwaalden keer op keer op de weggetjes waar je enkel met een vierwielaandrijving veilig bent, omdat S(z)lepke geen gegevens heeft bij dit soort onverantwoord keiige avonturen. S(z)lepke is het navigatiesysteem van Google dat wij de naam S(z)lepke gaven.
Groet,
Rhett Trümmer

[1] Nationaal Park Meer van Shkodër
[2] Europese karper 
[3] De Griekse landschildpad (Testudo hermanni) is een schildpadsoort die oorspronkelijk uit Europa komt. 
[4] Servische Republiek 
[5] Slavische talen 

Foto’s van het landschap: ‘diepgroene heuvels en dicht beboste bergen’.
Foto van auto met Luxemburgs kentekennummer. Voor ons stond een auto met Luxemburgs kentekennummer. Ik sprong meteen spontaan uit de auto en rende eropaf, misschien was het mijn broer Bas, genaturaliseerd Luxemburger. Dat bleek van niet. Tegen de inzittenden riep ik enthousiast: ‘Moien, wéi geet et? Wéi schéin iech ze gesinn, Lëtzebuerger! Wien hätt dat geduecht? Schéi Rees! Äddi, bis déi nächst Kéier![6]’ De man en de vrouw keken mij vriendelijk schaapachtig (onthutst) aan, ik maakte dat ik wegkwam voordat ze konden reageren, mijn Luxemburgs is beperkt. Saskia vroeg zich opnieuw af of ze met de dorpsgek der Nederlanden op reis is.
[6] ‘Hallo, hoe gaat het? Wat leuk om jullie te zien, Luxemburgers! Wie had dat gedacht? Goede reis! Tot de volgende keer!’
Foto van Griekse landschildpad die ik hielp met oversteken.