Japie en Cani


Twee onbekenden. De ene volks, blue collar, een leven lang lichamelijke arbeid. Hij zat al tien jaar in de ziektewet, net vierenzestig. Zijn bleke huid duidde op een niet gezonde leefstijl, hij had vlezige armen, een dikkig gezicht en een buikje. Grote bruine vlekken op zijn handen. Maar hij was aardig en hij hield van honden. Zijn naam was De Man.

De ander, een rijzige kerel, met een gezonde BMI, het grijze haar in een vlecht tot onder zijn schouderbladen, liep met in zijn ene hand een krukje, en aan de lijn in de andere zijn hond. Draga heette hij, en zijn hond Cani. Hij was al eens aan zijn linker heup geopereerd. Nu, vier jaar later stond hij op de wachtlijst voor een operatie aan de lage ruggenwervels, operatie laminectomie. Tijdens de operatie wordt woekerend botweefsel verwijderd en krijgen beknelde zenuwen weer ruimte. Waarna het lopen weer beter gaat. Nu moest Draga om de vijf minuten een paar minuten zitten. Daarom had hij altijd het driepotige krukje bij zich.

Draga en Cani stonden stil tussen een geparkeerde auto en een Groenvisie-perkje, terwijl Cani aan een blaadje snuffelde, en er een druppel speeksel uit zijn mond liep. De zon scheen, en de planten in het perkje verdorden langzaam, de helft was al dood, het had sinds zevenentwintig mei niet geregend, een maand dus. Buurtbewoners waren sinds enkele dagen met gieters en spuiten de nieuwe groenstroken aan het bewateren, om te voorkomen dat alle planten zouden sterven. Klimaatverandering drong ook de straten van deze stad binnen, in dit land dat een gematigd zeeklimaat kent, met milde winters, zomer en neerslag gedurende het hele jaar.

De Man was blijven staan en wees naar Cani. Het was niet de eerste keer dat iemand zich over de viervoeter uitliet.
    De Man zei: ‘Gûddûmme, wat is ie mooi.’
    ‘Ja’, antwoordde Draga, ‘dat zeggen er meer, vooral vrouwen. Ik heb al genoeg dames klapjes in het gezicht moeten geven met de vlakke hand en weer overeind moeten helpen, nadat ze bij het zien van dit vierbenig modelbaksel in katzwijm vielen’.
    De Man lachte breeduit. ‘Oh, ja?’ zei hij: ‘Ik had ook een hond, een adoptiehondje uit Griekenland, 18 jaar is hij geworden, drie jaar geleden legde hij het loodje, maar ik denk nog dagelijks aan hem, wat een schat was dat. Natuurlijk, hij had ook zo z’n makkes. Ik wil niet weer een hond nemen. Het verdriet dat je hebt als je trouwe makker er tussenuit knijpt, dat wil ik niet nog eens meemaken.’
    ‘Maar’, meende Draga, ‘daar hoeft u toch, gezien uw leeftijd, niet zo bang voor te zijn.’
    ‘Dat is misschien wel zo. Maar toch, ik wil ook niet dat een vierbenig schepseltje Gods zonder z’n baasje achterblijft. Hetzelfde maar dan omgekeerd, begrijpt u? Ik word misschien wel tegen de tachtig, maar kan ik dan nog voor een hond zorgen, dat is ook de vraag’.
    ‘Ja, ja, ik begrijp het’, zei Draga.
    ‘Notorios, zo heette hij aanvankelijk’, zei De Man weer, ‘maar ik heb hem Japie gedoopt, dat snapt iedereen, een echt vuilnisbakkie, uit het asiel, maar zo’n lieverd. En wat hebt u er voor een?’.
    Draga antwoordde: ‘Ook een vuilnisbakkie, uit India meegenomen, heel lief ook, de laatste tijd, voor ons baasjes, maar o, wee, pas op, hij is ongekend eenkennig, ga dus niet naar hem staren, steek je hand niet naar hem uit, maak geen gekke babygeluidjes en ga niet over hem heen staan, om maar wat te noemen. Ik zal u een verhaal vertellen. Na de reis van Delhi naar Amsterdam, augustus 2017, in een kooi in het duistere, kille ruim van een Boeing 787, waarin hij twaalf uur had vastgezeten was hij uiteraard flink van de kaart. Ik was zo stom om hem uit de reiskooi te laten midden in de hal op de begane grond van Schiphol. Er kwam me toch een hoeveelheid natte bagger uit zijn darmen, je reinste diarree, een plas met een doorsnee van minstens vijftig centimeter. Daaraan kon je zien hoe het beest had geleden. Een man schreeuwde naar mij: ‘Je gaat die poep toch wel opruimen?’ Maar natuurlijk deed ik dat. Ik heb maar niet gereageerd.’

Draga had wel gedacht, eikel dat je bent, klootzak, om zo de aandacht op het hachelijke tafereel te vestigen. Een hele stoet mensen had beschuldigend gekeken, met vieze gezichten naar de plas stront, de hond en naar hem, zonder ook maar een greintje empathie of begrip.
    Draga had naar zijn vriendin geroepen: ‘Ik ga met Cani naar buiten, Blue, kun jij de vlek proberen weg te poetsen?’ Blue was met de handen in het haar op zoek gegaan naar middelen om de plas diarree mee op te redderen. Uiteindelijk vond ze een schoonmaakster met een mobiele schoonmaakkar bereid, zij voorzag Blue van rollen keukenpapier, een dweil en zeepwater in een emmer. Samen maakten ze de boel aan kant. Als vrienden gingen Blue en Fatoumata uit elkaar. ‘Ik sta bij je in het krijt, is eeuwige dankbaarheid genoeg?’, had Blue bij het afscheid gevraagd. ‘Doe maar vijfentwintig euro’, had Fatoumata geantwoord. Zo gezegd, zo gedaan. Daarna hadden zij elkaar nog even geknuffeld. Later had Blue met veel lof over Fatoumata gesproken. En daar met een veelbetekenende blik aan toegevoegd: ‘Ze stinkt’. ‘Ha, ha, grapje’, wist Draga. Hij moest denken aan Manosh, de vluchteling uit Kashmir, die met vrouw en kind en broers in een migrantenkamp in Jammu was neergestreken in 1990. Lid van de kaste van brahmanen. Een pandit. Zij ontmoetten Manosh voor het eerst in Ladakh, Noord-India, in het dorpje Shey, op een armlastig schooltje dat werd bestierd door de boeddhistische lama Lotsetik. Manosh was er leraar, en bestierde het kantine-snoepwinkeltje. Er werd gezegd dat hij daar geld voor zichzelf aan overhield. Blue en Draga sponsorden enkele kinderen uit het internaat bij het schooltje. Een daarvan was Amo wiens moeder Dolma als schoonmaakster in het ziekenhuis van Leh werkte. In een gesprek met Manosj over Amo en Dolma, liet Manoj zich over Dolma de merkwaardige typering ontvallen: ‘Ze stinkt’. Dolma, de alleenstaande moeder, die zich drie slagen in de rondte werkte om haar vier dochters te kunnen voeden en kleden. Het eerste en het laatste dat Manosh over haar zei was: ‘Ze stinkt’. Eerlijk gezegd was dat Blue noch Draga ooit opgevallen.

‘Wat naar allemaal,’ reageerde De Man.
    ‘Bent u wel eens onvriendelijk bejegend door mensen, vanwege uw hond?’ vroeg Draga aan De Man.
    De Man reageerde met de woorden: ‘Nou en of, de laatste jaren voor Japie stierf heb ik me vaak aangevallen gevoeld. Mensen houden niet meer van honden.’

Draga repliceerde: ‘Ik liep in de tijd dat het coronavirus op zijn retour was, maar de coronaterrassen nog bestonden, langs een terrasje dat zich uitstrekte tot zo’n beetje de rand van de straat, toen ik een jonge vent, lui achterover leunend in zijn stoel, wijzend naar Cani, tegen een stel luchtig geklede jonge vrouwen hoorde blaten, met kakkineuze tongval: ‘Een hond in de stad houden, dat is je reinste armoede’. Er ging wat door me heen. Kwast, snob, cretin dacht ik. Hun gesprekstof was blijkbaar doodgelopen. De drie meiden, tegenover de snuiter, deden alsof hun neus bloedde, ze zeiden niks en hun gezichten verrieden instemming noch afkeuring. Ik richtte mij tot de jongen en zei, je gaat af als een gieter, protser. Je kunt beter opstappen, want het gezelschap verveelt zich bij jou. Ga lekker naar huis en solo je leuter handkarren. En weet u wat? De vrouwen schoten in de lach. Het heerschap verschrompelde eerst, en koos toen het hazenpad. De meiden wendden zich tot mij, en riepen vrolijk, bedankt. Waarna het gesprek tussen hen losbarstte. ‘Wat een prachtige hond’, lieten ze me nog weten. En daar hadden ze gelijk in.’
    De Man lachte breeduit, ‘ha, ha, goed verhaal, u bent me een verteller, ha, ha.’

Mila Malinova (15 juni 2023)

Onder voorbehoud van verschrijvingen, typefouten, en dies meer.