Sonamarg – Kashmir (2)

6 Augustus 2018

‘Good morning’, een van de personeelsleden van het hotel, bestaand uit alleen maar mannen, klopt op de halfopen klapdeuren. Nila staat op en loopt naar de man toe, die bijna potsierlijk een papiertje in zijn vooruit gestoken hand houdt. Hij komt een kleine stap de kamer in en ziet Suleij, half liggend, half zittend, op bed. ‘Ah, good morning, to you too, Sir.’ Dank u, van hetzelfde, antwoordt Suleij.
     De rekening voor afgelopen nacht, zegt de man, zou u die alvast willen voldoen?
Met assertieve alertheid treedt Nila de man tegemoet, terwijl ze een gezicht trekt, ‘we blijven nog een nacht, kan er niet morgen afgerekend worden?’ ‘Oh, you’re staying, you’re not leaving?’ Ja, zegt Nila, we kunnen niet door, in verband met de stakingen, dus we zitten hier vast tot morgen of langer, afhankelijk van wat de Supreme Court in Delhi vandaag beslist aangaande artikel 35(A): wel of niet opheffen1. We kunnen niet door, werden gisteren op weg naar Srinagar, niet ver buiten Sonnamarg, door de politie tegengehouden en teruggestuurd.
Ah, maar toch alvast voor de afgelopen nacht betalen, zegt de man weer, met beleefd vragend gezicht, een goede reden geeft hij niet. Ze besluit de man niet langer tegen te werken, het heeft geen zin om te blijven informeren naar het waarom, hij wil zijn geld. Voorkomendheid veinzend, spreekt Nila enigszins verbeten, met flinke stemverheffing, een langgerekt natúúrlijk uit, waarna ze zich met een bruusk gebaar omdraait, op zoek naar haar tas, die ze met wat misbaar opent en er het gevraagde geld uitrukt, 1.680 Indiase roepies. Ze overhandigt die de man met afgewend gelaat, die haar het papiertje, de rekening, in de hand drukt.

Deze maandag, zes augustus, is de tweede algehele stakingsdag in heel Jammu en Kashmir. De winkels moeten volgens orders van de stakingscommissie gesloten blijven, maar de meesten zijn dat niet. Er hangen grote plastic zeilen voor de puien. Via de zijkanten kan men naar de winkel daarachter.
Kleine groepjes mannen paraderen leuzen scanderend over de National Highway no 1, een tweebaansweg met brokkelende randen die door het langgerekte dorp gaat. Het dorp vanaf november tot half april verlaten, wanneer het ligt onder een metersdikke laag sneeuw.
     Sonamarg wordt slechts bewoond gedurende het toeristenseizoen. Dan komen ook de tienduizend soldaten terug in hun kampementen, die voor een deel onpnieuw opgebouwd moeten worden. De winter met zijn regen, sneeuw, hagel, storm, laat de vallei, het landschap, de aarde, elk jaar kreunen onder zijn heftigheid: van extreme vrieskou, knetterend onweer en gebliksem, wolkbreuken waarbij binnen minuten de rivier uit zijn oevers kan treden en huizen, voorzieningen, delen van de weg kunnen meesleuren, vernietigende sneeuwlawines met de kracht om reuzen ceders te knakken als lucifers en knallende landverschuivingen waarbij tonnen los gesteente over de veldjes worden geschoven als een grijze deken. De weg naar de pas die de poort is naar de verder en hogere gelegen districten Kargil en Ladakh, moeten ieder jaar opnieuw geopend worden met behulp van een schare bulldozers. Een kwestie van weken noeste arbeid voordat de eerste colonne legertrucks gevuld met soldaten het volgende kampement kan gaan bemannen, net over de Zoji La (Zoji pas).
     En de nomaden keren weer met hun paarden en schapen en geiten. Zij leven op de hellingen op verschillende hoogtes boven de vallei in tenten van grote lappen plastic, lage blokhutten van loodzware, dikke boomstammen, en hutten van allerhande materiaal, zoals klei, stenen, stukken golfplaat, zeil, takken, platgeslagen blik, metaal van hekwerken, staven ijzer, god weet hoe ze daaraan kwamen.
     Zij noemen zich Gujar, een groep tribalen, die ’s zomers met hun kuddes tot hoog de steile bergen in trekken tot waar ook maar gras is. Een deel van hen blijft in de buurt van Sonamarg, met zijn resorts, hotels en pensions, en tijdelijk winkeltjes, – om de lokale toeristen van dienst te zijn, die komen om op de ruggen van de paardjes van de Gujar de tocht van een uur naar de ‘gletsjer’ te maken, een klein vuil uitziend overblijfsel van een gletsjer. Zelf lopen doen de toeristen niet, deze Indiërs uit de stedelijke gebieden. Ze kunnen niet lopen, geen lange afstanden, niet op oneffen terrein. Je ziet het al aan de bouw van hun lichaam, de knikkende knieën, de scheve voeten, het vet, de ogen. Zij verlangen niet naar sportiviteit, maar naar eten, hangen rond ijssalons, Pakhora kraampjes, naar dicht bij elkaar blijven, in familieformatie, mamma, pappa, kinderen, grootmoeder Sari, grootvader Kurta Pyjamas, ooms, broers, tantes, zussen, meer dan teenslippers willen ze niet dragen, of gewone schoenen, van het lichtste materiaal met de dunste zolen. De auto is hun geliefde vervoer, met elf of twaalf man in een Toyota…, Mahindra Xylo, Tata… Met een paar gehuurde taxis gaan ze op vakantie voor een week, kakelend en konkelend, kafoezelend, van weg-dhaba naar weg-dhaba. Zonder problemen plooien zij bij iedere stop ledemaat voor ledemaat voorzichting een voor een uit het blik, en vervolgens, na hun chai gedronken en rijst met dahl verorberd te hebben en na een flinke keutellozing in de vrije natuur, verdwijnen zij er met acrobatische precisie weer in, om als een tot de nok toe knap gevuld blik vlees verder te tuffen. Op de plaats van bestemming begint het echte feest. Ze verspreiden zich over een paar gehuurde kamers, waar ze nog voor het uitpakken van de koffers de televisie op de hun geliefde Indiase soap zetten op hoog volume met deuren en ramen zo ver als maar kan open, terwijl aan hun gekakel bovendien geen einde komt. Zonder ook maar een ogenblik rekening te houden met het eventuele bestaan of de aanwezigheid van buren en sociale billikheden. Kinderen drentelen op de balkons en veranda’s heen en weer, in gedrag kleine replica’s van hun luidruchtige ouderlijke voorbeelden; vaders staan iets verderweg bij elkaar anekdotes grappend en ginnegappend, hun bazen en bepaalde collega’s als onderwerp, moeders zetten de keuken op en wijden zich aan het maken van thee met meegenomen eerder gebakken chappati’s. Voor oma en opa zijn schommelstoelen of goedzittende stoelen geregeld, waarin Kurta Pyjamas zacht duttend tevreden heen en weer wiegt en Sari de allerkleinsten in het oog houdt en ze tot de orde roept voordat het uit de hand loopt. Deze situatie blijft hetzelfde tot het avondeten, dan wordt er verzameld op het balkon, de veranda, in de kamers, het eten wordt op thaliborden geschept, iedereen gaat zitten waar het hem, haar gerieft, het krakelen gaat echter onafgebroken door, er wordt overdadig geschaterd, gegild, gelachen en gegiecheld, de vrouwen voeren de boventoon tijdens dit belangrijke familieritueel. Tot slaap de een na de ander doet wegdommelen en tot zich neemt in een zachte en bijna liefdevolle omarming. Kinderen worden op bed gelegd, Sari en Pyjamas zacht wakker geschud in hun fauteuils en naar hun slaapplaats geleid, de mamma’s hebben weer werk te doen, pannen af te wassen en borden en bekers, voor de pappa’s is nog tijd voor een gezamelijk afrondend gesprekje buiten op het gras, de betonnen of geasfalteerde of met tegels afgezette plaats voor het hotel. Maar tegen elven daalt de rust neer over de mens, gunt slaap het lichaam het nodige aantal uren voor herstel van tijdens de dag geconsumeerde energie, de geest en de ziel kunnen zich hergroeperen, tijdens het nachtelijke dromen wordt getracht in de wanordelijke hoeveelheid nieuwe ervaringen opgedaan tijdens de drukke, warme, drukkende dag, met zijn ongeziene angsten, minder prettige prikkels en licht ongemak brengende momenten, enige orde te bewerkstelligen, zodat de komende dag weer met tamelijk fris gemoed tegemoet getreden kan worden.

Tegen deze tijd krijgt de ontelbare horde straathonden bij de afvalbakken, in de buurt van restaurantjes en keukens in het algemeen, het te kwaad. De meute door het leven uitgehongerde, vertrapte, en vernederde onzalige scharminkels uit zijn woede zonder omhaal, in een gezamelijk blaffen dat god noch gebod kent waarbij horen en zien naar slaap verlangende schepselen vergaat. Als de van onvrede en ernstig protest getuigende ongein eindelijk ophoudt, blijkt ook stilte toch nog te bestaan, zei het nooit voor lang, de hongerende hondenmagen doen steeds weer van zich spreken in een zich snel over het dorp van ver tot dichtbij jachtig toenemend onheilspellend gejank, gehuil en gegrom.
     Als de nacht in onrustige golven eindelijk bijna is volbracht, maar nog vóór de eerste lichttonen de vroegst wakkere of niet in slaap geraakte ogen bereikten en het nachtdonker is begonnen te bleken, slaken trillende vogelkelen langgerekte hoogtonige kreten, is het aanzwellend geniepig gepiep, sisachtig getjirpt, gemeen en opzettelijk harde gekwetter van het voor het grootste deel onzichtbaar blijvend gevogelte snel niet meer weg te denken, tot het diepst doordringend in het zenuwstelsel, waar het zich met weerhaken vasthaakt, samen met de andere sinistere geluiden die de ontwaakte dag onomkeerbaar met zich meebrengt. De langgerekte schreeuw die in steden als Srinagar overheerst, is afkomstig van de eagle zeggen de Kashmiri. Een beetje een mager dingetje, vindt Suleij, die eagle, met zijn kapotte veren hier en daar. Eagle, staat dat voor arend of adelaar, vraagt hij zich af. Volgens mij zijn het vissarenden, zegt Nila.

Vanuit hun kamer waarin ze bezig zijn met de tijd verdrijven, horen zij een megafoonstem in het Urdu aankondigingen doen. Zij denken dat het van een naderde demonstratie komt, en besluiten gewapend met fototoestellen van dichtbij een kijkje te gaan nemen. Het blijkt een langs de weg zittende man met megafoon te zijn die een geloof verkondigt en een jongen met een geldinzamelbus, want wie het geloof verkondigt moet ook eten. Welk geloof en welke hoop hij uitspreekt wordt niet duidelijk omdat de jongen geen Engels spreekt. Ze doen echter geen moeite het via omstanders te weten te komen. Wat ze nodig hebben is brood voor het ontbijt en de lunch, yoghurt, boter, en mosterd. Ze kruipen via de zijkant van een zijl een van de winkeltjes binnen en doen in het halfduister hun boodschappen. Het woord mosterd wordt door geen van de winkeliers begrepen, ze bieden er sojasaus voor aan. Maar, nee, zo is het niet.

Terug in het hotel gaat Suleij voor de kamer zitten op de veranda, die langs vier a vijf kamers loopt, tot aan het kantoortje, in een plastic stoel zoals die overal in de meeste eetgelegenheden en goedkope hotels en pensions te vinden zijn, met gladede armleuningen en glimmende rugleuning waarvan de wervelkolom na een tijdje gaat wrikken en steken, zelfs na toevoeging van een kussen van het bed. Twee kamers verderop zit een personeelslid van het hotel blijmoedig te luisteren naar een liedje dat uit de zak van zijn broek komt. Hij knikt instemmend op het rhytme van de song en uit zijn houding spreekt een zeker verlangen. De uitbundig zingende zanger herhaalt van tijd tot tijd het woord Pakistan, Pakistan, op de tonen van een enthousiast uithalende en euforisch spelende band. De rest van de tekst in het Urdu verstaat hij niet, maar zijn nieuwsgierigheid is gewekt. Bent u ook voor aansluiting bij Pakistan, vraagt hij de man met de muzikale broekzak. Uit het kantoortje heeft de hotelmanager zich bij het hotelpersoneelslid gevoegd.
     Suleij kan zich wel voorstellen dat de veertien miljoen Kashmiri die al tientallen jaren leven onder de bezetting door het Indiase leger met een miljoen soldaten overal gestationeerd, langzamerhand geneigd zijn om de overname door Pakistan als een verlossing te zien.
De aanwezigheid van het Indiase leger is onmiskenbaar, om de zoveel meter staan soldaten langs de weg gewapend met geweren en mitrailleurs, overal zijn bunkertjes gebouwd van zandzakken en prikkeldraad, met kleine schietopeningen, overdekt met camouflagenetten. Blauwe pantserwagens rijden af en aan, en staan op duizenden plekken geparkeerd.
Nee, nee, zegt de man, ik ben voor een autonoom Kashmir.
     Maar dat liedje dan. Ach, dat is maar een liedje. De man zet het radiootje uit, ondanks protesten van Suleij.

De dag van vertrek uit Sonamarg naar Srinagar wordt duidelijk waar de manager van de Tourist Bungalow op uit is. Het geld voor de tweede nacht in de hotelkamer wil hij graag ontvangen zonder een rekening te hoeven schrijven. Dat is tegen het principe van de eerlijkheid, vindt Nila, maar ze laat het erbij zitten. De manager steekt het geld in zijn eigen zak, natuurlijk, zegt Suleij. Corrupte oplichter, dief, meent Nila, bedenkelijk kijkend.

Suleij vraagt de manager of hij celibatair leeft. De man begrijpt zijn vraag eerst niet. Single, verduidelijkt Nila, die zijn vraag opvangt terwijl ze met een zware koffer voorbij loopt, richting de auto. De manager lijkt geschrokken, god, nee, roept hij luid maar ook blij, dit is het onderwerp van zijn hart, ik heb vier zonen, alle vier afgestudeerd en alle vier hebben ze een baan: de een is dokter, de ander advocaat, de derde ingenieur en de vierde leraar. Allemaal heel goed terecht gekomen, dus. De eerste drie zijn reeds getrouwd, de vierde nog niet, maar dat zal wel gebeuren. Ik woon hier niet ver vandaan, met mijn vrouw. En werk al meer dan dertig jaar in dienst van de regering, hier in Sonamarg in de toeristenbranche, in verschillende functies overigens. Over een lengte van zeven kilometer bezit en exploiteert de regering hier een aantal hotels.
     Hmm, dat is toch heel mooi, antwoordt Sulei, geweldig. Dan neemt Suleij snel afscheid van de manager en wandelt naar de auto met wat tassen bagage. De kisten en koffers en plunjebaal worden door Nila en een helper van het hotel naar de Tata gedragen en door Sulei vakkundig in de achterkant ervan geladen. Nila neemt nog afscheid van de manager, als ze voor de laatste keer naar het hotel moet voor wat er nog aan bagage ligt, een tas met flessen water, een zak met wat voedsel, terwijl Suleij bij de auto staat. Dan karren ze de weg op, door de geopende doorgang in de omheining om het hotel. Langs twee soldaten, die Nila nog even snel vereeuwigt met haar eeuwige smart-phone in de hand. Zo snel als de oude Tata kan, scheuren ze richting Srinagar, dat ze uren later in de stromende regen binnen zullen rijden.

Emilie Bernard