19 april 2026, Amsterdam.
Hoi Leah en Günter,
Over drie dagen (vanaf 17 april), maar intussen morgen (20 april) vertrekken we naar Sint-Machiels om afscheid te nemen van moedertje Dieda Dutt. Die maakt zich ‘altoos en altoos weder’ zorgen over de lengte van ons buitenlands avontuur. Haar grootste zorg is dat zij dan alleen is. Rani, Mailai’s zus is er wel. En die spreekt haar moedertje elke dag; en op zondag komt Rani met haar vriend Koffi-Jallekr boodschappen brengen.
Eens in de twee maanden bezoeken Mailai en ik Dieda, honderd km rijden, en logeren we in de bijbouw in de tuin, – vroeger een dokterspraktijk, de vorige eigenaar was huisarts -, nu met slaapkamertje aan de voorkant, atelier (Dieda, toen ze nog beelden maakte) in het midden, en werkruimte met gereedschap, schroefbank en knutselhout (waar Derda, na zijn pensionering, meubeltjes repareerde en sieraden maakte, tijdens zijn leven) aan de achterkant.
Ik installeer me in het atelier, met mijn pc, apart scherm, toetsenbord, muis, opladers voor tablet, telefoon, muziekbox.
Mailai werkt zich dan te pletter in de keuken en catert in twee dagen maaltijden voor twee maanden voor Dieda.
Dieda zit aan haar grote glimmende houten tafel in de achterkamer (verlengde voorkamer) en vult plastic bakjes ter grootte van een maaltijd: met soep (met en zonder vlees) en pizza en quiche en ik weet niet wat nog. De bakjes haalt Dieda uit het bijgebouw waar ik opgesloten zit. Ik help haar opgeruimd met ze van het schap te halen in een overloopje tussen atelier en schroefbank en breng een deel ervan naar het hoofdgebouw.
Ik hoor van Mailai dat Dieda mij opgeruimd én vrolijk vindt. Wauw, denk ik, dat heeft, voor zover ik me herinner nog nooit iemand over me gezegd. Ik ken mijzelf via anderen als de spreekwoordelijke kankerpit, die alles altijd beter weet. Maar, nee, opgeruimd dus, én vrolijk. Hatsflats, 1-2[1].
—
[1] Lees meer over de uitdrukking op ensie.nl
[1] Lees meer over de uitdrukking op ensie.nl

