Lale Gül – IK GA STOKEN (30-4-2022) [Just kidding]

  A-Chos Light  /  A-Chos Strong    


Een ontroerende heldin (26 april 2021), Floris Cohen (athenaeum.nl)

Floris Cohen kreeg Ik ga leven van Lale Gül cadeau en kon niet stoppen met lezen. Hoe komt het dat dit boek, van een 23-jarige ex-moslima, zo’n verpletterende indruk heeft kunnen maken op een seculier grootgebrachte, een halve eeuw eerder geboren Jood van het mannelijk geslacht?

Dit boek begint eendimensionaal. Een puber maar wel een overjarige — de schrijfster is immers al 23 — scheldt haar ouders in niets aan de verbeelding overlatende termen uit wegens de rampzalig verkeerde opvoeding die ze haar hebben gegeven. Zeker, wat ze beiden maar toch vooral de moeder voor de voeten slingert is niet gering: uit godsdienstwaan voortvloeiende, extreme bekrompenheid, dwangmatige bemoeizucht met en klein houden van haar dochter terwijl in dat milieu van de jongens elke vrijpostigheid door de vingers wordt gezien — die hele obsessieve opvoeding die vanaf de eerste menstruatie op niets anders is gericht dan de jongedame kuis, maagdelijk en daartoe zo onaantrekkelijk mogelijk uitgedost te houden om vooral elke man met zijn in zijn manzijn muurvast gelegde, eendimensionale seks-obsessie van haar weg te houden tot ze binnen de veilige eigen kring in het huwelijk treedt met de knaap die allang onder de althans schijnbaar meest godvrezende types voor haar is uitverkoren.

Ja, dat de hoofdpersoon van dit boek, die onmiskenbaar met de schrijfster ervan samenvalt, alle aanleiding heeft haar ouders die haar van jongs af aan zo klem hebben gezet en dat nu ze ruimschoots volwassen is nog steeds doen van alles voor de voeten te werpen, dat kan ook de lezer wie dat hele milieu vreemd is goed begrijpen. Sterker nog, daar las die lezer wel eens vaker over. Wel speelt dan het relaas zich af in weer andere fundamentalistische kringen, in weer andere tamelijk onzichtbare uithoeken van onze moderne open samenleving, of die kring nu orthodox protestants is of behoudend katholiek of rechtzinnig joods.

Doorlezen – maar waarom?
Waarom dit overbekende verhaal, dat voor een seculier opgegroeide Jood van een halve eeuw ouder dan de schrijfster weinig meer aan nieuws lijkt te bevatten dan de literaire kennismaking met weer zo’n milieu, dan toch tot het voorspelbare eind doorlezen? Om het schandaal dat het inmiddels onbedoeld verwekt heeft? Nou nee, een hype-lezer is hij nooit geweest. Omdat zijn zoon het hem cadeau heeft gedaan, en zo te zien niet zonder reden? Ja, dat is zeker een reden om door te ploegen. Maar dan is er ook nog die intrigerende schrijfstijl, of beter gezegd dat wonderlijke veelvoud aan stijlen, steeds onverhoeds afwisselend van plechtig boekenproza naar Nederlands op zijn vulgairst, en weer heen, en weer terug, of weer in heel andere varianten. Menig recensent heeft dit stijlveelvoud gezien als een betreurenswaardige tekortkoming van het taaleigen van iemand die (zo luidt volgens mij de stilzwijgende vooronderstelling) per slot van rekening toch niet helemaal een echt volbloed Nederlandse is maar een NederTurkse die dus nog veel te leren heeft — het al dan niet bevoogdende hokjesdenken lijkt zo langzamerhand ons hele land wel in zijn greep te hebben. Kom op zeg, het ziet er soms raar uit, maar bij alle uitzinnigheid van de verwijten die Lale Gül haar ouders zowat onophoudelijk maakt is hier toch duidelijk iemand aan het woord die goed weet wat ze wil en die er bovendien al zowat een bachelor Neerlandistiek op heeft zitten — die zou geen meesteres over haar verrukkelijk omvangrijke taaleigen zijn? En trouwens, waar staat geschreven dat stijlvermenging verboden is? En als dat ergens geschreven staat, moet dat verbod dan niet maar eens overtreden worden om te kijken waar de overtreding de schrijver heenvoert?

Nee, die stijlvermenging was het niet die me maar mondjesmaat en onzeker over wat ik nou van dit boek moest denken door liet lezen, in het voor mijn doen uitzonderlijke lage leestempo van een hoofdstukje per dag. Nee, het was toch het eendimensionale van de aanklacht, hoe gerechtvaardigd die dan ook onmiskenbaar wezen mocht.

Innerlijke tweestrijd
Maar toen. Toen was ik aangeland bij pagina 137/138. De hoofdpersoon, allang een volwassen studente, verblijft tot haar ouderlijke avondklok haar weer tot vertrek noopt bij haar voor iedereen geheim gehouden liefde, Freek, en ze vraagt zich af hoe ze aan diens vader Koos, een PVV-stemmend Hagenees die zich algauw openbaart als de verrassend open-minded gesprekspartner van zijn zoons geliefde, ooit haar situatie uit kan leggen. Uitleggen, ja wat dan? ‘Dat ik m’n ouders haatte, maar ook niet wegging? Dat ik dit alles stiekem deed, terwijl ik wist dat ik ooit een keus zou moeten maken tussen vluchten of conformeren? Dat ik in een oorlog verwikkeld was, waarvan ik het einde steeds maar uitstelde, omdat ik ook niet wist wat de beste keuze was? Dat ik op zich wel kon vluchten en de oorlog kon winnen, maar dat ik Oma en Defne zou missen, omdat ik ze dan niet meer zou kunnen zien?’

Toen ik deze van zoveel zelfinzicht getuigende zinnen las, drong in één klap tot me door dat dit boek niet in de eerste plaats gaat over wat ze hier die oorlog noemt, maar dat het in de kern een verslag is van een innerlijke tweestrijd. De tweestrijd van iemand die over het zo zeldzame vermogen beschikt zichzelf niets wijs te maken en die in alle helderheid haar eigen dilemma doorziet zonder er vooralsnog een oplossing voor te weten. De breuk met haar ouders, die heeft ze wel degelijk voorzien en daar heeft ze zich al in geschikt, en met de publicatie van dit boek heeft die zich inderdaad voltrokken. Maar het verliezen van haar oma, die zich van die hele orthodoxe santekraam niks aantrekt, en van haar zusje, dat ze voor een deel zelf heeft grootgebracht en wie ze zo graag de traditionele vrouweninsnoering wil besparen: dat voorzienbare verlies kan ze niet en wil ze niet.

En bij het voorzien van die treurige uitkomst blijft het niet. Op de geciteerde passage volgt een koele afweging van wat de dan onvermijdelijke eerwraak in haar milieu zoal zou kunnen inhouden: alleen maar door een neef in elkaar worden geslagen, of in koelen bloede vermoord? Ze doet er niet pathetisch over, de lezer moet er zelf bij bedenken dat dit boek zich geheel en al in rechtsstaat Nederland afspeelt, het is eenvoudigweg een factor die ze in haar dilemma mee in rekening heeft te brengen. En zo krijgt, vanaf deze bladzijden 137/138, het boek er een menselijk maar al te invoelbare dimensie bij, en die neemt het zelfs meer en meer over tot en met letterlijk de laatste bladzijde ook al weet de lezer intussen allang hoe het afloopt: ze ontvlucht, en schrijft het allemaal op, en een uitgever heeft gezien wat het waard is zodat wij van het publiek er ook kennis van kunnen en mogen nemen.

Liefdesbrief
Bij dat innerlijk gevecht van de ontroerende heldin blijft het niet. In de laatste twintig bladzijden, en culminerend in het huiveringwekkend mooie gedicht waar het boek mee eindigt, blijkt dat dit boek naast een aanklacht en naast een verslag van een verscheurend zielsconflict ook nog eens een lang uitgesponnen liefdesbrief is. Het hele boek vormt, zo kunnen we hier aan het eind begrijpen, één doorlopend getuigenis van haar liefde voor haar Freek en van wat haar ertoe heeft gebracht om, als onvermijdelijk onderdeel van haar vlucht, hem tegen haar zin in en zo delicaat mogelijk de bons te geven.

Misschien dat deze of gene lezer geneigd is Lale Gül voor een exclusief de eigen navel bezichtigend narcist te houden. Nou nee. Indrukwekkend in dit zo rommelig ogende maar in werkelijkheid heel zorgvuldig gecomponeerde relaas zijn al evenzeer de diverse passages waarin ze, binnen de grenzen van wat ze nog van ze begrijpen en in ze waarderen kan, haar ouders aan haar lezers uitlegt. Het zijn voor niemand, en al helemaal in haar situatie niet, heel gemakkelijk te volbrengen exercities in begrip zonder ook maar even te vervallen in goedpraten of toch-maar-accepteren. Iets dergelijks geldt voor haar medelijden met de armetierige, in vodden gehulde meisjes die ze jaarlijks met vakantie in het Anatolisch dorpje van haar grootouders tegenkomt, en van wie ze dan bedenkt dat, zonder het betrekkelijke toeval van werkgelegenheid voor haar vader in het verre Nederland, zijzelf ook zo’n totaal kansloos meisje zou zijn geweest en gebleven.

Een recensent klaagde dat de gesprekken die de hoofdpersoon met haar VWO-klasgenoten voert in het hoofdstuk gewijd aan de enige keer dat ze met een schooluitje mee mocht, dat naar Rome, zulke onechte dialogen opleveren. Ja, dat is heel knap gezien van die recensent, die kennelijk vindt dat in een boek dat onmiskenbaar een waar gebeurde geschiedenis verhaalt ook alles wat de sprekers zeggen letterlijk moet zijn weergegeven. Nee, dat zijn het allerminst. Het zijn — de stijlwisseling is hier bij uitstek functioneel — als korte verhandelingen klinkende beschouwingen die ze zichzelf en haar klasgenoten van de meest diverse etnische pluimage (meer en minder streng Turks en Marokkaans, gemengd Koerdisch, Surinaams) tegen elkaar af laat steken. Mijn zoon, die classicus is, moest denken aan een modern-Nederlandse variant op Plato’s Symposium, en dat lijkt me helemaal geen slechte gok. Ook de redevoering die ze Freek vlak voor het eind van het boek laat houden, is in de zin van spreektaal zo onnatuurlijk als wat, maar het is wel een razendknappe samenvatting van hoe een zich voor verlicht en vooruitstrevend houdend, van alle religiositeit totaal vervreemde Nederlander die nooit echt iets heeft meegemaakt pleegt aan te kijken tegen wat zich rondom de Amsterdamse Kolenkitkerk in extreem-orthodoxe Islamkring zoal afspeelt.

Tragedie
In feite houdt zich hier nog een andere, als zodanig niet eens uitgesproken tragedie in dit boek schuil: Gül staat er volstrekt alleen voor. Ik ken, en heb het grootste respect voor, enkele generatiegenoten van me die aan iets als een dergelijk milieu zijn ontsnapt, maar dan was er altijd op een beslissend moment de wijze oudere man, meestal een leraar, die zag dat hij met een heel bijzonder meisje van doen had van wie de latente gaven voorgoed dreigden te worden gesmoord maar die met haar eigen doorzettingsvermogen maar ook niet zonder zijn steun voor dat treurige lot gespaard kon worden. Dat soort steun, dat Gül zelfs bij lieve vooruitstrevende Freek niet vond, heeft ze van niemand ondervonden — ze heeft het helemaal alleen moeten doen, haar bevrijding volstrekt alleen moeten voltrekken.

Hoe heeft ze dat voor elkaar gekregen? Enigszins dankzij de openbare basisschool waar ze, bij gebreke aan een islamschool in de buurt, dankzij haar docenten althans kennis heeft kunnen maken met een heel andere, veel opener denkwereld dan ze thuis gewend was, en haar daarmee alvast een tikje wapende tegen de zelotenpraat waar ze wekelijks in de Koranschool uur in uur uit op getrakteerd werd. Maar vooral dankzij dat ontembare doorzettingsvermogen van haar, dat haar uiteindelijk de weg uit haar verscheurende dilemma heeft gewezen. En van dat doorzettingsvermogen heeft de lezer al veel eerder een grandioos voorproefje gekregen, op een hoogst onverwachte en hoogst ongewone manier waarvan ze de beschrijving op p. 149 als volgt inleidt: ‘Ik besloot resoluut mij niet neer te leggen bij dit lot.’ De rest moet de lezer zelf maar opzoeken, in dit ook overigens lekker woest geschreven hoofdstuk 14.

Over zelfbevrijding en religieus fanatisme
En nog zijn we er niet. Lale Gül is niet alleen een indrukwekkend schrijfster, ze kan ook scherp en analytisch nadenken, met behulp van een fors reservoir aan breed getrokken kennis waarvan ze ‘in de bieb’ de grondslagen heeft weten te leggen. Aan twee in het bestek van haar boek bij uitstek ter zake doende onderwerpen wijdt ze korte beschouwingen, die beide een toekomstig, meer uitgesponnen essay van haar hand ten volle zouden verdienen. Het ene is dat van de vrijzinnige Islam die door zoveel Nederlanders van Turkse of Marokkaanse herkomst feitelijk wordt gepraktiseerd maar waar, betoogt ze, geen duidelijke theologische grondslag voor beschikbaar is zodat elke min of meer vrijzinnig aangelegde moslim (en dat is in feite gelukkig in ons land de grote meerderheid) het allemaal maar voor zichzelf uit te zoeken heeft. Een situatie die nog wel tot daar aan toe zou zijn als die niet strijk en zet door de fanatici onder de orthodoxen zou worden benut om dat theologische bijna-vacuüm voor eigen doeleinden te misbruiken.

En die doeleinden – je weet het wel maar dit boek drukt je er weer eens met de neus op – die vallen zoals in alle orthodoxe godsdienstbeleving zo ongeveer samen met de alles overheersende drang die o zo bedreigend geachte vrouwelijke seksualiteit er desnoods met geweld onder te houden. Güls ouders, het blijkt uit haar zo begripvol mogelijke beschrijvingen van hun geschiedenis, zijn beiden behoorlijk intelligente mensen. Alleen, ze hebben geen enkele kans gekregen met die gave iets te doen. En zo zijn ze, bij gebreke aan vermogen ook maar één denkstap buiten de eigen benauwde kring te zetten, met huid en haar vast komen te zitten, de moeder nog veel sterker dan de vader, aan de bezeten drijverij van een mannentype dat Gül, een heel wat betere Multatuli-kenner dan de overgrote meerderheid van alle oer-Nederlanders, steevast en trefzeker ‘imam Wawelaar’ noemt.

Ook wijdt Gül enkele trefzekere beschouwingen aan wat ze feilloos herkent als de oerkern van al dat fanatisme — de illusie van het zekere weten. Wat ze erover schrijft is niet origineel, heeft die pretentie ook helemaal niet, maar als groot schrijfster vindt ze er zeer aansprekende formuleringen voor, bijvoorbeeld deze alinea: ‘Ik vond dat de waarheid onomstotelijke kennis moest zijn, de waan is slechts twijfelachtig vermoeden. Dat kan geen weten zijn. Waan is onwetendheid. En als de persoon die waant in zijn waan verkeert is hij niet in staat om te weten. Maar dit konden zij toch ook wel bedenken? Hier hoefde je toch niet superslim voor te zijn? Was niet het meest karakteristieke kenmerk van de waarheid dat onze kennis erover nogal onzeker is?’. Of deze: ‘Rigide gelovigen zijn uiterst daadkrachtig, net als psychopaten overigens, omdat ze zich niet laten hinderen door de behoefte om andermans belang mee te laten wegen of twijfel toe te laten. Moeder is een uitroepteken, Vader soms een vraagteken. Een vraagteken is een uitroepteken dat onzeker naar beneden kijkt of hij op de goede plek staat. Of hij zich niet op glad ijs bevindt. Als hij zich van die onzekerheid bevrijdt, wordt hij ook een uitroepteken’.

Zeker, Immanuel Kant heeft het anders geformuleerd, en met alle schakeringen erbij. En toch is het niet helemaal toeval dat ik bij dit boek aan Kant moest denken, zowel in biografische zin als om de uiteindelijke strekking van zijn werk. Die strekking, we weten het, heeft hij per slot van rekening samengevat in het eenvoudige ‘mens, durf voor jezelf te denken’. Hijzelf heeft zich vanuit een heel eenvoudige, orthodox-vroom piëtistische achtergrond weten op te werken tot zijn inzichten over wat wij mensen wel en wat we niet kunnen weten, met hoogst originele betogen en gevolgtrekkingen die nog niemand hem had voorgedaan. Daarbij heeft Immanuel de steun ondervonden van een docent (een zekere Martin Knutzen) van precies het type waar ik het hierboven over had en dat Lale heeft moeten missen. In die zin is haar ‘vlucht’ uit haar eigen bekrompen milieu een nog indrukwekkender prestatie dan de zijne. Haar boek beschrijft, in een persoonlijke taal, niets minder dan een grootscheepse bevrijding — een bevrijding die door de hele mensheidsgeschiedenis door een enkele durfal is ondernomen en waarzonder het er met ons mensen al heel treurig voor zou staan.

Eindelijk gaan leven
Hoe komt het dat dit boek, van een 23-jarige ex-moslima, gisteren zo’n verpletterende indruk heeft kunnen maken op een seculier grootgebrachte, een halve eeuw eerder geboren Jood van het mannelijk geslacht? Omdat het zoals het hier beschreven staat, schreeuwend in zijn aanklacht maar onderkoeld in zijn persoonlijke dramatiek, een verhaal is dat ons aangaat los van de groep waar we uit voortkomen en los van het hokje waarin we gestopt worden en ons veel te makkelijk in laten stoppen. En het kan elk van ons aangaan doordat we als mens gezegend zijn met althans iets van de empathie die de literatuur op haar best tegelijk weet op te roepen en zelf te belichamen.

Dan heb ik het nog niet eens gehad over het aangrijpende slot van het boek, waarin de heldin haar dilemma nogmaals onder ogen ziet en dan en passant de verbeten toonzetting van de aanklacht aan het adres van haar ouders van een verklaring voorziet: ‘Waarom blijf ik zwichten? Waarom kan ik niet gewoon woedend, onbeschaamd, onbescheiden, gevaarlijk en slecht zijn? Waarom neem ik niet mijn ruimte in, waarom blijf ik lief en schattig, waarom ben ik mezelf niet in al mijn glorie, een voorbeeldfunctie waar we behoefte aan hebben? Kan ik de kracht soms niet opbrengen, is dat het?’.

Lale Gül heeft wel degelijk die kracht opgebracht, en we begrijpen nu ook de innerlijke betekenis, de betekenis voor haar zelf, van de hier en daar overigens best geestige scheldpartijen waar het boek mee opent. Eigenlijk brengt de titel van het boek het zelf al onverbeterlijk tot uitdrukking: die beginbladzijden zijn een voor haar onmisbaar bestanddeel van wat ze nodig heeft om eindelijk te kunnen gaan leven.

Van deze nu al grote en binnenkort nog weer grotere schrijfster gaan we, mits naar we vurig mogen hopen de eerwraak haar ons niet ontneemt, nog heel veel horen, om wat ze allemaal vermag als individu èn om de voorbeeldfunctie die ik haar van harte toewens. Ik verheug me er nu al op.


Floris Cohen (1946) is emeritus hoogleraar in de geschiedenis van de natuurwetenschap, eerst aan de Universiteit Twente, later aan de Universiteit Utrecht. Op zijn naam staan onder meer De herschepping van de wereld (Eurekaprijs voor het beste boek waarin wetenschap voor een breed publiek toegankelijk wordt gemaakt) en Het knagende weten.

Lees ook Wie Lale Gül heeft gelezen, mag de roman Arab niet missen. BNNVARA/JOOP – Opinie (08-06-2021) – Han van der Horst (historicus) 


  A-Chos Light  /  A-Chos Strong